Thema:

Open Monumentendag 2009: St-Amedeus

fragment uit de folder uitgebracht ter gelegenheid van Open Monumentendag 2009:

1895 - 1940: bouw
In de nasleep van de Franse Revolutie was er een sterke anticlericale houding en kloosterorden werden uit het onderwijs en de verzorging gebannen. De bestaande Godshuizen waren overgenomen door de overheid en de zorg voor krankzinnigen gebeurde vooral in de gevangenissen zoals het Geraard Duivelsteen in Gent. In 1807 werd kanunnik Petrus Jozef Triest door de burgerlijke autoriteiten van de stad Gent belast met de zorg voor de algemene weldadigheid en opgenomen in de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen. Hij stichtte de Zusters en Broeders van Liefde die zich specialiseerden in de krankzinnigenzorg. De zusters namen de zorg voor de vrouwen op, de broeders zorgden voor de mannelijke patiënten. In het begin werkten zij in dienst van de burgerlijke autoriteiten.

Vader Amedeus Stockman, toenmalig Generale Overste van de Broeders van Liefde en zelf afkomstig uit Mortsel, deed in 1894 de officiële aanvraag aan de minister van Justitie om in het dorp Mortsel bij Antwerpen een gesticht voor behoeftige geesteszieken te mogen oprichten. De Broeders van Liefde hadden toen al instellingen voor krankzinnigenzorg in Gent, Beernem, Zelzate, Sint-Truiden en Froidmont. De inrichting zou 600 patiënten kunnen huisvesten en beschikken over een landbouwbedrijf van 5 à 6 ha. Op vraag van het bisdom moest de generale overste een verklaring ondertekenen dat in het nieuwe gesticht enkel “armlastige” krankzinnigen zouden worden verpleegd en dat anderen, die wel eigen middelen hadden, zouden verpleegd worden tegen de prijs die officieel voor de armlastigen was vastgelegd.

De bouwwerken begonnen in 1895 en eigenlijk is het door de bouw van deze instelling dat het station van Mortsel Deurnestraat er gekomen is. De spoorwegmaatschappij was van plan een halte te voorzien op de lijn Antwerpen - Brussel maar op vraag van vader Amedeus werd het een station, in eerste instantie voor de aanvoer van bouwmaterialen en werklui, nadien voor patiënten en bezoekers. In september 1895 vestigden zich al 8 broeders in de instelling om de komst van de patiënten voor te bereiden. Op 16 november 1895 werd dan de eerste patiënt opgenomen.

De inventaris van 31 december 1901 leert ons dat er toen 600 patiënten waren, 22 broeders, 3 dienstboden en 21 inwonende knechten. Eind 1909 biedt de instelling plaats aan 711 patiënten en na de aankoop van nog 3 percelen grond werd de Villa Guislain gebouwd. Daar werden de gegoede, betalende patiënten opgenomen. In 1914 werden de plannen voor de verbouwing en omschakeling naar paviljoenbouw ingediend maar door de oorlog werden deze uitgesteld. In september 1914 rukt de vijand op en deelt de instelling in de beschietingen van de Antwerpse fortengordel. Op 7 oktober 1914 wordt het gesticht geëvacueerd naar Zelzate en met een speciale trein en de hulp van Belgische en Engelse soldaten vertrekken 35 broeders, 40 knechten en 783 patiënten waaronder 32 Belgische soldaten naar Zelzate. 1 knecht en 2 patiënten blijven vrijwillig achter om voor de stalbeesten (15 koeien en 22 varkens) te zorgen. Na een 3-tal weken is de rust wedergekeerd in Antwerpen en zijn de gevechten vastgelopen in de IJzervlakte. De terugtocht van een eerste groep gebeurde met het stoomschip “Zeeuwsch Vlaanderen”, ter beschikking gesteld door Koningin Wilhelmina. De boot voer tot in Burcht en van daar werden de patiënten met verhuiswagens terug naar Mortsel gebracht.

In 1915 kon de instelling nog redelijk overleven omdat ze beschikte over grote voorraden voedsel. De verdere oorlogsjaren waren jaren van schaarste. In 1917 stierven 205 patiënten en in 1918 160 patiënten. In 1917 kwamen de Duitsers al het koper van de instelling opvorderen en tijdens de terugtrekking wilden ze in het gesticht een lazaret (een veldhospitaal) inrichten in de Villa Guislain. De overste kon dit echter verhinderen. In 1920 vierde de instelling, samen met het station van Mortsel, haar zilveren jubileum. Er waren toen 523 patiënten, 27 broeders en een tiental leken. In 1923 waren er 20 broeders en 23 leken die zorgden voor 623 zieken. 174 patiënten werden tewerkgesteld. De zorg was door de oorlogsjaren fel achteruitgegaan en de nieuwe overste Vader Virgile nam het initiatief voor drastische veranderingen. De meeste afdelingen werden voorzien van centrale verwarming, het huis werd op de stadswaterleiding aangesloten, er werden gezondheidsbaden ingericht, er kwamen reukloze toiletten, alle slaapzalen kregen lavabo’s. De kwaliteit van het eten werd verbeterd en de verplegers kregen witte jassen.

Beste mama, morgen om 6 uren 43 of kwart voor zeven uren ‘s avonds kom ik toe in Gent. Dan zult gij uwen deugniet weerzien. ’t is hier toch zoo goed. Dezen brief moogt gij opendoen want hij is voor u. De venster die tussen de twee inktvlekken staat is waar ik mijne slaapkamer heb. ‘t is juist nen kleinen salon Tot morgen dan. Mortsel, 25 september. Auguste.

In 1925 werd van 16 mei tot 3 juni een tentoonstelling gehouden om de buitenwereld te laten zien wat door de patiënten van de inrichting werd geproduceerd. Dr. Meeus, de nieuwe hoofdgeneesheer, gaf een persconferentie over de nieuwere verpleging van geesteszieken. Meer dan 10.000 geïnteresseerden bezochten de tentoonstelling. Het Internationaal Neurologencongres dat in 1928 te Antwerpen plaats vond, hield een namiddagzitting in Sint-Amedeus. Een krant berichtte nadien: ”De zalen van de zieken, slaapzalen, refters, badinstallaties werden in perfecte staat bevonden, evenals de koeren en vriendelijke tuinen met hun groen en hun bloemen, plaatsen van afleiding en rust voor de werkende patiënten. Want de krankzinnigen werken in Sint- Amedeus en dit feit maakt nog wel de meeste indruk op de buitenlandse congressisten”.

Het domein breidde nog steeds uit: in 1925 werd 1ha 44a bijgekocht en in 1926 nog eens 5 ha 5O a met een kleine boerenwoning die werd omgebouwd tot een grote boerderij. In 1926 werd de dokterswoning gebouwd. Tussen 1930 en 1934 werden grote verbouwingen uitgevoerd aan de afdelingen en de werkplaatsen; in totaal voor 800.000 Fr. De patiëntenpopulatie was opgelopen tot 830 in 1931 en dus ook het personeelsbestand breidde uit van 20 broeders in 1920 naar 41 broeders in 1931. Er waren ook een 20-tal lekenmedewerkers.

U kan de volledige folder hier downloaden in PDF formaat.